Het verhaal
Abbiocco is de zware slaperigheid die na een flinke maaltijd over je heen komt. Het Italiaans maakte dit zelfstandig naamwoord van het werkwoord abbioccarsi, en dat werkwoord vertelt veel. Het wordt gezegd van een kip die gaat broeden en zich in elkaar rolt, en daarnaast betekent het gewoon indutten. Wie een abbiocco krijgt, zakt dus weg als een broedse kip op haar nest.
De vaste zin is 'mi è venuto l'abbiocco', letterlijk 'de abbiocco is naar me toe gekomen'. Je doet het niet zelf, het overkomt je. Het woordenboek van Treccani noemt het regionaal en omschrijft het als de verleiding om in slaap te vallen.
Het Nederlands heeft 'eetdip' en het nieuwere 'voedselcoma'. Die woorden klinken naar een klacht, iets wat je met een kop koffie moet wegwerken. Artsen spreken van postprandiale slaperigheid. Abbiocco hoort eerder bij de middag zelf, als het moment waarop de stoel een stukje naar achteren schuift.
Een scène: een zondag in augustus, een lange tafel in de schaduw. Na een bord fettuccine en een stuk lamsvlees wordt het stil. Opa's kin zakt langzaam naar zijn borst, een neef staart naar het tafelkleed, en de jongste kinderen zijn allang onder de olijfboom in slaap gevallen. Niemand stelt voor om af te ruimen. Iemand zegt alleen, half gapend: 'Che abbiocco.'