Het verhaal
Han (한) is de Koreaanse lezing van het Chinese teken 恨, dat in het Mandarijn hèn is, haat. Het Koreaans hield de pijn en liet de haat grotendeels los. Het standaardwoordenboek van het Nationaal Instituut voor de Koreaanse Taal omschrijft het als een gemoed waarin diepe wrok, onrecht, spijt en verdriet zich hebben vastgezet: verdriet dat is blijven zitten. Koreanen zeggen het net zo goed van een familie of een heel volk als van één mens.
Je koestert het (han-eul pumda), het zet zich vast (han-i maechida) en je lost het op (han-eul pulda). Een vader die nooit naar school mocht, noemt dat de han van zijn leven.
Hoe oud het begrip is, staat ter discussie. De historicus Michael Shin noemt han modern: het ontbreekt in het eerste Koreaans-Engelse woordenboek uit 1897 en is zeldzaam in de klassieke literatuur. Verschillende onderzoekers herleiden het beeld van een treurig Korea tot de Japanse criticus Yanagi Sōetsu, die in 1920 schreef over de 'schoonheid van het verdriet', en dateren de opkomst als nationaal embleem in de jaren zeventig, toen minjung-theologen en schrijvers er een teken van gedeeld lijden van maakten. Minsoo Kang stelt dat het in Zuid-Korea sinds eind jaren negentig is weggezakt, terwijl Koreaanse Amerikanen het juist hebben omarmd.
Je hoort het in de pansori, de oude gezongen vertelkunst van één zanger en een trommelaar. Eind twintigste eeuw won de treurige stijl het en kreeg pansori de naam 'het geluid van han', al loopt elk bewaard gebleven epos goed af.