Het verhaal
Tampo (tampó) is Tagalog voor mokken, maar dan een bepaald soort mokken. Je wordt stil, je trekt je wat terug, je kijkt de ander net iets minder aan. Je zegt niet wat er is. De bedoeling is dat de ander het merkt en naar je toe komt.
Dat laatste maakt het verschil. Tampo is geen ruzie en ook geen woede. Het is gekwetst zijn op een manier die om aandacht vraagt, en het werkt alleen bij mensen die om je geven. Bij een vreemde heeft mokken geen zin. Tampo hoort dus bij gezinnen, vriendschappen en geliefden.
Het Tagalog heeft er een hele woordfamilie omheen. Magtampo is het werkwoord, gaan mokken. Iemand die snel in een tampo schiet, is matampuhin of mapagtampo. En tampuhan is het mokken van twee kanten: een stille ruzie tussen geliefden die geen van beiden het eerste woord willen geven. Juan Luna schilderde het in 1895 onder die titel. In een woonkamer met een raam van capiz-schelpen kijkt een man naar buiten, terwijl een vrouw in een Maria Clara-jurk naar de vloer staart.
Zo'n tampo eindigt pas als iemand de eerste stap zet en de ander paait, met een grapje, iets lekkers of gewoon een vraag of het weer goed is.
Het Nederlands heeft mokken en pruilen, en die raken het gedrag. Het verwachtingsvolle zit er niet in: dat stille wachten tot de ander het goedmaakt.