Het verhaal
Kuier is Afrikaans en komt van ons eigen werkwoord kuieren, dat teruggaat op het Middelnederlandse cuderen. In Nederland is kuieren rustig wandelen gebleven, een wat ouderwets woord voor de zondagmiddag. In Zuid-Afrika en Namibië kreeg het een tweede betekenis die hier nooit is aangekomen: bij iemand op bezoek gaan, en dan blijven.
Een kuier heeft geen eindtijd. Je komt binnen, er is koffie of een biertje, en later gaat het vuur aan voor de braai. Pas als het donker is, denkt iemand aan naar huis gaan. Wie bij je komt kuieren, is een kuiergas, en een plek waar het goed toeven is, heet een kuierplek. Het woord is ook een zelfstandig naamwoord: bij het afscheid zeg je dat het 'n lekker kuier was.
Voor een Nederlander zit het lastige in die combinatie van langsgaan en blijven hangen. 'Op visite gaan' klinkt formeler, met een koekje bij de koffie en een vaste vertrektijd. 'Buurten' komt dichterbij, maar dat doe je bij de buren en het blijft kort. Kuier is het woord voor de middag die uitloopt tot de avond.
Een scène: zaterdag in een tuin in Pretoria. Vanaf het hek roept iemand 'Ons kom kuier', de gastheer zet er twee stoelen bij, en niemand vraagt hoe lang het gaat duren.